
‘Amithaba is de hoofd-Boeddha (de Boeddha van het oneindige Licht) van het Amida Boeddhisme dat ontstond in China, Korea, Vietnam en Japan. Dit is één van de grootste stromingen in het Boeddhisme. Amithaba behoort tot de drie heiligen uit het westerse paradijs samen met bodisattva Mahasthamaprapta en Quan Yin Ee (Avalokitesvara). Padmansambava, een Indiase monnik in de achtste eeuw, bracht de Amithaba naar Tibet en Nepal. In het Tibetaans Boeddhisme representeert Amithaba één van de vijf Dhyani Boeddha’s en symboliseert concentratie, tevredenheid en onderscheidende wijsheid. De visualisatiekleur is rood en de boeddhavorm is verbonden met het keelchakra. De mantra van Amithaba is “Om Amithaba Hum”.

Waarom doe ik de dingen zoals ik ze doe?
Wat maakt een mens tot wat hij is? Hoe kan het toch dat iemand zo maar kan veranderen? Zo maar een paar vragen die oppoppen als ik naar de ontwikkeling, de groei en het proces van Worden van mijzelf kijk:
Sinds de diagnose ALS in 2017 kom ik nog vaker mijzelf tegen. Soms kan ik voor de spiegel staan – mijzelf intensief observerend – en bijna verbaasd zijn over wat er allemaal met mij (is) gebeurt(d). In een paar jaar is mijn lichaam sterk veranderd; ik ben hier nog steeds niet helemaal aan gewend. Het Leven is nog intensiever geworden terwijl tegelijkertijd de duur van mijn bestaan hier een stuk onzekerder en (waarschijnlijk) korter is geworden; de gemiddelde levensverwachting van mensen met ALS is tussen de drie en vijf jaar. Hierdoor ben ik volgens mij bewuster met de tijd omgegaan en (nog) meer ‘in het moment’ gaan leven. Vragen als: Wat zou ik nog graag willen? Waar heb ik spijt van? Ben ik tevreden met dit leven? Enzovoort. Die komen regelmatig voorbij. Ik heb niet altijd een antwoord op deze vragen maar weet wel één ding zeker: ik heb geen ‘bucketlist’, hoef niet nog te paragliden in de bergen of nog één keer dit of één keer dat. Ik wil natuurlijk nog wel reizen of kleine trips kunnen blijven doen maar als dit mij teveel gedoe gaat opleveren dan zie ik er denk ik van af. Veel gereisd, uiteenlopende banen van (zwem)onderwijzer tot antropoloog en tussendoor achter de bar. En als laatste mijn eigen Pink Point. Ik voel me regelmatig ‘gezegend’ en ben (nog steeds) meestal een tevreden En dat geeft mij vaak rust.
Ik ben blij dat ik eigenlijk altijd mijn eigen weg heb gevonden en zelf het roer in handen had. En dat was niet altijd makkelijk en heeft ook periodes van neerslachtigheid en somberheid opgeleverd. Niet voor niets loop je dan met je Ziel onder je arm. En dit overkomt ons allemaal (gelukkig maar, je gaat er (meestal) van groeien).
Als kind ging ik al vaak mijn eigen weg. Ik was veel op mezelf, had niet vaak vriendjes, was dol op boeken lezen, hield van verkleedpartijen en speelde poppenkast voor mijn jongere broers achter de bank. Ik droomde vaak dat ik kon vliegen of dat ik in een hele grote schommel over de oceaan zweefde; ik verlangde naar vrijheid. Ik ging vaak op pad ‘de wereld in’, wandelend of op mijn kleine blauwe fietsje (Mijn moeder heeft me een keer met een touw om mijn middel vastgebonden aan een boom zodat ik niet weer weg zou lopen, ik was drie). Ik denk dat mijn vader mijn verlangen naar een ‘eigen leven’ goed heeft aangevuld: ik kreeg mijn eigen slaapkamer! Daarvoor sliep ik met drie andere broers in twee bedden op één kamer. Mijn eigen kamer, muren beplakt met foto’s van Slade, T-Rex, David Bowie – ik was dol op de glitter rock. In 1968 kwam mijn eerste platenspeler en al snel bracht ik veel tijd plaatjes draaiend door op mijn kamertje, helemaal in mijn sas.

Ik was ook als kind al geïnteresseerd in religie, in dit geval de Rooms Katholieke kerk. Ik vond al die muurschilderingen geweldig, genoot van de rituelen, de kleding van de pastoor en de bijbelverhalen. Het oude testament was mijn favoriete deel. Ik werd op mijn zesde misdienaar en hielp de pastoor met de eucharistieviering; ik vond het zelf heel belangrijk en eervol dat ik dit (voor God) mocht doen. En wilde zelf een tijd ook priester worden, en dan ‘goed werk’ gaan doen in Afrika. Of me aansluiten als monnik bij de Franciscanen. In mijn tienerjaren kreeg ik echter steeds meer moeite met de katholieke kerk. Ik vond de leer te rigide, veel moest maar het was me niet duidelijk waarom (waarom mag de pil niet, waarom moét je elke zondag naar de kerk en waarom zijn protestanten toch wat minder, eigenlijk toch niet goed?. En waarom zijn er geen vrouwelijke priesters?). Ik merkte voor het eerst dat ik er langzaam van overtuigd begon te worden dat ‘geloof’ vanuit jezelf moet komen en niet moet worden gedicteerd door een man in Rome of de pastoor. Dogmatische tradities passen niet bij mij. Na een lange periode met veel discussies, vooral met mijn moeder liet ik mij officieel uitschrijven uit de Rooms-katholieke kerk. De pastoor was het niet met mij eens…
Vietnam
Al in mijn tienerjaren begon mijn belangstelling voor Azië. Films op tv die in India speelden, verhalen uit Indonesië, Couperus. Ook het nieuws over de oorlog in Vietnam volgde ik en stond aan de kant van op de hand van Vietnam. Op de Havo maakte ik een werkstuk over de Grote Sprong Voorwaarts, een maoïstische overheidscampagne in China (die volledig mislukte en een hongersnood opleverde). Ik was ook een grote fan van Ho Chí Minh die probeerde een socialistisch paradijs te realiseren in Vietnam. Geïnspireerd door Karl Marx en culturele invloeden van Confucius.
Mijn eerste reis naar Azië was in 1993. Via Bangkok naar Vietnam waar ik, samen met een studiegenoot en tevens goede vriendin, een onderzoek ging doen in een slum in Thàn Pho Ho Chí Minh oftewel Saigon. Zo heette de stad voor de ‘bevrijding ‘ in 1975.
Een roerige periode was dat jaar voor Laos, Cambodja en Vietnam. Binnenlandse onrusten en moordpartijen door de Rode Khmer in Cambodja, herlocaties van stedelingen naar het platteland in beide landen, gevolgd door een grote stroom van vooral Chinese vluchtelingen. Politieke onrust in Vietnam: je bent voor of tegen de revolutie, voor of tegen de socialistische heilstaat (naar Sovjet model). Alleen de situatie in Laos was wat stabieler.
Toen ik Culturele Antropologie/Sociologie der Niet-westerse Samenlevingen aan de Vrije Universiteit ging studeren in 1988 was het voor mij al vrij snel duidelijk dat een combinatie van Marxisme, Azië en Urbanisatie mijn specialiteit zou worden. Ik wilde het liefst voor mijn leeronderzoek naar Noord-Korea maar de VU had geen contacten daar, absoluut een voorwaarde. Maar wel met de universiteit in Saigon, Vietnam. Een heel goed alternatief.
“Hoe is het gesteld met de sociale huisvesting van ‘de gewone man’ in deze socialistische heilstaat?” Met de ‘social housing‘.
Dit was mijn onderzoeksvraag toen ik naar Vietnam ging voor mijn leeronderzoek.
Vanaf het moment dat ik in Bangkok landde was het een soort thuiskomen voor me. Ik vond het geweldig! De mensen, de tempels, het eten, de cultuur. Als een spons zoog ik alles op. Na een paar dagen verlieten we deze kapitalistische Aziatische stad en gingen naar onze eindbestemming: de Volksrepubliek Vietnam. Thành Phó Ho Chí Mình (Saigon) was veel armer, donker en rommeliger dan Bangkok. De menselijke uitwerpselen lagen op straat toen ik de eerste avond door mijn buurt liep. Mijn studiegenoot en ik konden beiden een kamer huren in het huis van een lid van de Vietnamese Communistische Partij via de universiteit van Saigon. We woonden samen met zijn familie in District 2. Dit was toen de enige manier om als buitenlander een kamer te huren in Saigon. Het was begin 1993 nog moeilijk om een (toeristen) visum voor Vietnam te krijgen. Het land zat nog op slot.
(Vietnam was in 1980 Cambodja binnen gevallen en had een eind gemaakt aan de genocide die daar al sinds 1975 aan de gang was. In de jaren negentig waren er nog steeds schermutselingen met de restanten van de Rode Khmer. Vietnam was pas sinds 1975 vrij, de verhoudingen met het Westen waren toen nog wat stroef, vooral met de VS – die hun nederlaag maar moeilijk konden verkroppen. En de Koude Oorlog woedde nog volop met Vietnam in het Sovjet kamp. Daarnaast waren er ook spanningen met China, dat Vietnam in 1979 was binnen gevallen).
De overheid zit letterlijk overal bovenop. Mijn kamer was op het dak met een fantastisch uitzicht over de wijk. De woning van de partijbons was het meest luxieuze huis in de straat; net als in de vroegere DDR kwam ook in Vietnam het partijkader niets tekort. Maar ook bijzonder om hier te wonen, bij een familie thuis. Daardoor, maar ook omdat er weinig buitenlanders in de stad woonden, had ik al vrij snel en dagelijks contact met de lokale bevolking. Iedereen was nieuwsgierig, sprak een beetje Engels (Amerikaanse erfenis, in het noorden spreekt men nog vaak Frans). Ik ging daarnaast twee keer per week naar de universiteit voor Vietnamese les zodat ik na een paar weken een beetje met de straatkinderen kon praten. Ik zat al snel in de cultuur en vond het heerlijk.

Hièp Thánh, District 4
Net als in China en de Sovjet-Unie had ook de Socialistische Republiek Vietnam zich geopend voor de wereld. De Sovjet-Unie had Perestrojka, Vietnam had Doi Moi (1988). Staatskapitalisme onder de regie van de Communistische Partij. Het land ging open en westerse bedrijven vestigden zich in de speciale ‘Free Economic Zones’, vooral in Saigon. Deze breidden zich steeds verder uit en daardoor moesten mensen wijken voor economische expansie(drift) en (duurdere) woningbouw. Hoe zouden ze dit aanpakken?, was mijn onderzoeksvraag. En: Krijgen de mensen een vergelijkbare woning terug, een betaalbare woning, ook nog in hetzelfde District waar ze altijd hebben gewoond? Of daarbuiten? In China zijn mensen geherhuisvest in hoge woontorens terwijl ze vroeger met hun kippen, een varken of soms koe op de begane grond woonden. Wat moet je dan toch met die kippen op vijftien hoog? Vaak werden dan in het toilet of de badkamer de kippen gestald in kooien langs de wand terwijl de geit en het varken op het balkon belandden. Hoe gebeurt deze herhuisvesting in Vietnam? Je mag namelijk van een marxistisch bewind verwachten dat er vooral aandacht is voor de armsten in de samenleving. Gratis onderwijs, gratis gezondheidszorg en sociale huisvesting. Ik was zeer benieuwd.
Een groep arme bewoners uit een slum moest plaatsmaken voor nieuwe bedrijven; ze werden verplaatst. Elke bewoner kreeg van de lokale autoriteiten een stukje grond en kon daar vervolgens zelf zijn huis op gaan bouwen. Mensen met meer geld konden meer uitpakken dan armere mensen. Stenen huizen verrezen naast eenvoudige huisjes, soms bijna hutjes. De lokale autoriteiten zorgden voor de infrastructuur. En de mensen konden dicht in de buurt blijven wonen met hun kippen. Een mooi plan. Zo hoort het in een (marxistische) samenleving.
Maar er was (natuurlijk) ook een kanttekening: Als je in de Amerikaanse oorlog – zo noemen Vietnamesen de oorlog – aan de verkeerde kant had gestaan, werd het toch wat lastiger om mee te draaien in dit vernieuwingsproces. Ook in Vietnam werden deze mensen buitengesloten: “Je was fout in de oorlog”. Dus minder kans op een nieuw huis en weinig kans op goed betaald werk. Outcasts. Vroegere wetenschappers en intellectuelen eindigden vaak als bestuurder van een cyclo (fietstaxi). En ook zonder nieuw huis. Helaas ook hier de ‘top down pyramide’ vorm waarbij de Partij bepaalt wat er goed is. Een combinatie van rigide communistische theorieën gemixt met Confuciaanse ideeën; Aziatisch marxisme met invloeden van Ho Chi Minh.

We gingen bijna elke dag, vergezeld van een tolk en iemand van de communistische partij (controle) op pad om de inwoners van Hiep Thanh te interviewen. Wat vonden ze zelf van de plannen van de lokale autoriteiten? En: Was hen ook gevraágd wat zíj wilden? Hoe zag het er financieel voor de bewoners uit? Enzovoort. Het was een zeer leerzaam onderzoek resulterend in de urban research paper: ‘Housing in Ho Chi Minh City, a study of slum upgrading and redevelopment in the Fourth District’, gepubliceerd door de Vrije Universiteit in 1994.
Voor mij was de conclusie dat er in Vietnam meer zorg en aandacht was voor het welzijn van de slumbewoners vergeleken bijvoorbeeld met steden als Mumbai, Bangkok of Jakarta. Het verstrekken van een microkrediet, vooral aan vrouwen, gebeurde al in Saigon. Een heel goed initiatief. Later werd dit één van de speerpunten voor Maxima.
Tijdens het leeronderzoek had ik ook veel tijd voor uitjes. Ik had een fiets en ging op pad om de stad Saigon te verkennen. Er waren nog weinig auto’s in de straten. Er waren al wel brommers – xè hondá – maar de meeste inwoners gingen op de fiets. Tienduizenden fietsen overal in de stad. Je moest gewoon maar schuin de straat oversteken, er kwam geen eind aan de stroom fietsen. Daarnaast ook de cycló, de fietstaxi. Mijn fiets was eigenlijk te klein – voor Aziaten gemaakt, hoewel ik ook maar 1,73 m groot ben – en van chinese makelij. Tijdens het fietsen moest je oppassen. Er waren weinig buitenlanders in de stad en ik had verhalen gehoord van lokalen die zich voor de fiets van een buitenlander op de straat lieten vallen, ‘gewond’.. De buitenlander, al snel omringd door een groepje Vietnamesen, krijgt vervolgens de schuld en moest ter plekke de ‘schade’ betalen. Anders kom je in de problemen… Dus oppassen geblazen. Dit was ook de reden waarom ik niet op een brommer ging rijden, te gevaarlijk.
Het waren boeiende tochten door de stad, vaak ook in het donker als de electriciteit weer eens was uitgevallen. Soms per boot op de stinkende Saigon River. Vooral de chinese wijk Cholon was fascinerend: een traditionele chinese wijk vol winkeltjes, eettentjes en tempels. (Cholon en Saigon vormen de agglomeratie Ho Chí Minh). Daarnaast ging ik ook vaak zo maar ergens op een terras zitten. Mijn studiebegeleider/mentor van de VU zei altijd dat ‘theedrinken’ het belangrijkste en mooiste was van antropologisch onderzoek: gewoon zitten, observeren (met open blik) en wellicht een praatje. In contact komen met de lokale bevolking. Ik leerde de straatkinderen steeds beter kennen en kon met hen mijn Vietnamees oefenen, ik leerde de eigenaren en personeel van de eettentjes kennen, de sigarettenverkoper. En natuurlijk mijn buren.
Eén van de tochten bracht me, zittend achter op de brommer over kleine weggetjes door de rijstvelden, naar een dorp in de Mekong Delta. Een bevriende Australische antropoloog deed daar onderzoek en hij had mij en mijn studiegenoot uitgenodigd voor een bruiloft in het dorp waar hij verbleef. Die begon ’s ochtends rond negen uur. Het was een traditionele Vietnamese bruiloft. Grote ronde tafels, vrouwen en mannen gescheiden, onder een afdak van kokospalm bladeren. Veel eten en proosten met mekong whisky. Dit proosten gaat volgens strikte regels waarbij vooral de hierarchie (Confucius) een grote rol speelt. De oudsten – te herkennen aan hun aanspreektitel – vaak ook de belangrijksten van het dorp – brengen een toast uit op iemand anders die ook aan dezelfde ronde tafel zit. (Hierbij drink je in één keer half je glas leeg). Deze persoon – iets minder hoog in de dorps hiërarchie – bedankt, drinkt ook zijn glas half leeg, vult het weer en proost met de volgende (in hiërarchie). Enzovoorts. Maar je kunt ook weer met een ‘hoger’ persoon aan de tafel proosten. Hoe meer met je geproost wordt, hoe belangrijker je positie in de dorpsgemeenschap is. Mijn studiegenoot en ik waren als gast ook gewild om mee te proosten (zij mocht als enige vrouw aan de mannentafel zitten). Oppassen geblazen; mekong whisky heeft een alcoholpercentage van veertig procent en het was tien uur in de ochtend..Het ging (net) goed.
Tijdens deze uitgebreide maaltijd werd ik voor het eerst aangesproken met Amitahib (de boeddhist). Door mijn kaalgeschoren hoofd, mijn getatoeëerde mantra op mijn arm en omdat ik vegetarisch at (dit bekende geen gefrituurde varkensoortjes, kippennekken en -poten, loempiaatjes gemaakt van ingewanden, enzovoort maar fijne gerechten met tofu en tempeh). De tafelgenoten dachten dat, vertelde de Australische antropoloog die naast mij zat. Ik vond dit bijzonder en ook wel grappig: Amitahib, wat een mooie naam. Het werd een lange zit aan de ronde tafel. Ik kreeg heerlijke vegetarische gerechten, babbelde wat zo links en rechts en kon ook mijn kleine beetje Vietnamees oefenen. Het was vooral boeiend om de machtsstructuren in een Mekong dorp te zien en ervaren. De Australische antropoloog had veel informatie hierover, het was dan ook zijn onderzoeksonderwerp: lokale machtsstructuren in de dorpse Mekong Delta. Het was een bijzondere belevenis en lichtelijk beschonken gingen we aan het eind van de dag weer naar huis.
In Vietnam realiseerde ik mij hoe oud veel aziatische culturen zijn, vaak meer dan duizend jaar. Tempelcomplexen van De Khmer in Cambodja (de stad Angkor Wat had rond 900 al één miljoen inwoners). De Vietnamese cultuur bestaat al twee duizend jaar. Het lijkt alsof die lange geschiedenis ‘in de mensen zit’. Typerend voor dit historisch cultureel gevoel van de Vietnamesen was toen ik een andere keer weer in een dorp in de Mekong Delta was. Er was hier op hetzelfde moment een gids met een paar GI’s, Amerikaanse soldaten die in Vietnam hadden gevochten. Ze waren voor het eerst weer terug in het gebied dat in de oorlog onder controle was van de Vietcong, het (noord) vietnamese verzetsleger. Dus ze ontmoetten na twintig jaar hun vroegere vijanden. De GI’s waren emotioneel tijdens deze ontmoeting. Sommigen met tranen in hun ogen, anderen verontschuldigden zich voor hun gedrag. De Vietnamesen hoorden het lichtelijk verbaasd aan. Voor hen was de oorlog – ondanks de vele slachtoffers – met de VS niet veel meer dan een rimpeling in hun geschiedenis(vijver). Wat is vijftien jaar in tweeduizend jaar?

Hetzelfde geldt voor hun religie. Boeddhistische tradities begonnen rond 600 in de ZO Aziatische regio. Vaak versmolten met al bestaande lokale tradities als Confucius of Khmer. Een traditie die staat als de grote Bodhi boom waar de Boeddha zijn verlichting bereikte: de boom buigt mee met de wind, verliest zijn takken en bladeren, groeit langzaam doch gestaag door mét de wortels stevig verankerd in de grond.
Na het afronden van mijn onderzoek en een reis, tweeduizend km per busje en trein van Saigon naar Hanoi via allerlei uitstapjes onderweg, ging ik verder naar Australië. Dit was in het begin weer erg wennen, het kapitalistische Westen na maanden socialistisch Oosten. Ik logeerde in een goedkoop motel in Sydney’s ‘red zone’, voelde me eerst wat ‘vervreemd’ en realiseerde me later de grote impact die Azië op mij had gehad. Na een maand vertrok ik naar Singapore, gevolgd door reizen in Maleisië en toen terug naar Bangkok. In een tempel daar had ik een gesprek met een monnik en vertelde hem dat ik mij zo ontzettend thuis voelde in Azië. “Dat komt omdat je in een vorig leven hier hebt gewoond”, zei hij. In februari zou ik mijn schouders hebben opgehaald over deze opmerking. Echter nu, na de mooie reizen, inspirerende ontmoetingen en ‘cultuurdompelingen’ en af en toe erg mezelf tegen komen, was ik het met hem eens. Ik denk dat Amitahib, die altijd al in me was, (weer) was wakker geschud. De Vlieg had zich voor het eerst heel duidelijk laten zien en voelen in het Huis. Een vorig leven in Thailand. Vond ik een prachtig idee en daar kon ik wel iets mee. Ik had ook een beter inzicht in mezelf en dat gaf een goed gevoel. Mij restte nog mijn scriptie te schrijven en in 1994 studeerden mijn studiegenoot en ik af.
Tijdens mijn tijd in ZO Azië voelde ik mij helemaal thuis. Alsof ik daar hoorde. Dit merkte ik vooral toen ik in Australië was; het was hier weer wennen voor mij, een heel andere energie. Ik begon steeds meer na te denken over vorige levens, reïncarnatie. Ik zag het leven nu als een circel en niet meer als een rechte lijn met begin en eindpunt zoals in de westerse visie. Het idee van een eigen Pad werd sterker, iets wat ik eigenlijk al altijd ‘wist’ maar wat nog niet Helder was. Het begin van de (her)ontdekking van mijn Boeddha natuur.
Ayahuasca

Ayahyasca is een Zuid-Amerikaanse hallucinogene drank. De kleur is bruinrood en de smaak erg bitter. Ayahuasca betekent ‘slingerplant van de ziel’. Andere namen zijn hoasca, caapi en yagé. Een bijnaam is ‘la purga’ omdat de deelnemer tijdens de roes vaak moet overgeven en diarree heeft. Oorspronkelijke volken uit de Amazone gebruiken de drank al eeuwenlang in spirituele rituelen. Om bijvoorbeeld in contact te komen met andere entiteiten.
Ayahuasca veroorzaakt bij de juiste dosering een sterke roes met visuele hallucinaties. In het begin zijn de effecten erg onplezierig. Je wordt misselijk, duizelig en gaat heftig transpireren en moet overgeven. Dit overgeven wordt vanuit de traditionele interpretatie gezien als een manier van innerlijke reiniging en loslaten van emoties.
Daarna beginnen de hallucinaties. Men ziet snel bewegende en fel gekleurde beelden. Gebruikers rapporteren soms religieuze en mystieke ervaringen en contacten met vreemde wezens. Negatieve emoties, trauma’s en onzekerheden kunnen, net als bij elk hallucinogeen middel, naar boven komen. Dit kan door de gebruiker als zeer intens of vervelend ervaren worden. (Bron: Jellinek).
Mijn Ayahuasca reis, voorjaar 2016.
18.00 uur
Na het eerste glaasje vloeistof ga ik op mijn rug liggen om mezelf te voelen. Ruud begeleidt de meditatie. Ik voel een lichte druk op mijn borst en mijn hart begint sneller te kloppen. Met mijn handen druk ik op mijn buik en voel mijn hart. Voel me lichtelijk nerveus maar niet te erg. Probeer in mijn lichaam te blijven en te ‘voelen’
Met vertrouwen neem ik vervolgens de Ayahuasca in. Een klein glaasje met een donkere bittere substantie. Ik sla het in één keer achterover.
Ik heb mijn intentie zachtjes genoemd voor deze ceremonie: Ik wil graag in contact komen met ‘Rigpa’, mijn boeddhanatuur. Heeft deze nog wat te melden over ‘oud zeer’ zoals misschien niet verwerkte hiv-issues – heb ik hierover pijn ver weggestopt?. En wat wil ik nu eigenlijk met Pink Point? De zaak verkopen en religiestudies gaan doen aan de Vrije Universiteit? Ik denk dat door in mijzelf te gaan en contact te maken met mijn Zelf, ik beter in staat zal zijn de juiste beslissingen te nemen. Alsof ik de werkelijkheid echt ga zien zonder, niet vanuit een ‘stolp’. Niet vertroebeld door waarden , normen of wat anderen ervan vinden.
WAT WIL IK?
Langzaam begint het medicijn te werken en begint Moeder Ayahuasca zich te manifesteren. Ik heb het gevoel dat mijn rug en benen aan de mat zijn vastgeplakt. Alsof er vanuit mijn lichaam wortels de aarde in gaan. Mijn handen gevouwen op mijn buik, mijn voeten gekruist. Ik lig op mijn rug. Ik luister naar de muziek en beweeg mijn voeten op het ritme. Rondom mij beginnen de eerste medereizigers te braken. Dit geeft veel lawaai en maakt mij onrustig en nerveus. Misschien moet ik zometeen ook braken en dat wil ik (nog) niet. Veel gehuil en andere onrustige geluiden. Niet prettig. Ik merk dat mijn ogen beginnen te tranen. Het vocht loopt in straaltjes aan de buitenkant naar beneden. Mijn ogen zijn halfopen en ik ben blij dat ik mijn lenzen heb uitgedaan. De omgeving is daardoor wel in een soort mist verdwenen. Ik kan weinig zien.
Ik probeer mijn knieën op te tillen maar het voelt alsof ze met lijm aan de aarde zijn vastgepakt. Mijn handen en voeten voelen vreemd aan, alsof ze niet van mij zijn. De muziek vind ik storend en leidt mij af. Ook de geluiden om me heen ervaar ik als storend lawaai. Mijn gehoor is overgevoelig. Plotseling voel ik dat het Ohm teken dat aan een ketting om mijn hals zit, warm begint te worden. Het zit precies op de plek van de halschakra en begint te stralen. Mijn keel zit dicht en mijn maag voelt vreemd en onrustig: Moet ik zometeen overgeven?
Dan verschijnen er kleuren en visioenen die steeds sterker worden. Ik heb één oog dicht maar dat maakt niets uit. De ‘ziende’ kant wordt steeds (meer) vertekend. De balken aan het plafond nemen een andere vorm aan. Het lijkt net of ik in een tipi lig. Ik voel me nog steeds redelijk rustig maar begin me steeds meer te storen aan de geluiden om me heen.
De visioenen verbinden zich met de muziek. Bij bijna elke klank komt een beeld naar voren/boven/onderen. Het lijken hindoeïstische beelden, Bali misschien? Dan zie ik een fel licht verschijnen. Het zijn stralen, verblindend van boven naar beneden, alsof je bijna recht in de zon kijkt. Ik word daar blij van. Door de geluiden om me heen gaat het licht steeds weg. Hoe meer lawaai, hoe minder fel. “Hoe lang gaat dit nog door?“, denk ik bij mijzelf.
21.00 uur
Buiten is het langzaam donker geworden. Ik probeer overeind te komen om in een meditatiehouding te gaan zitten. Dit lukt niet, ik word steeds weer naar de aarde terug getrokken, zit nog steeds ‘vastgelijmd’. De beelden komen en gaan maar zeggen me op dat moment niet zo veel. Het licht maakt me heel blij. Ik denk af en toe dat iemand met een zaklamp in mijn ogen schijnt. Ik houd een hand voor mijn nu gesloten ogen maar toch blijft het licht. Ik schrik ervan.
Het tweede glaasje Ayahuasca wordt aangeboden maar ik sla dit af. Het is intens genoeg voor me.
De energie in de ruimte vind ik steeds storender. Het voelt alsof het bonkend in mijn hoofd binnenkomt: het huilen, braken maar ook het lachen. En soms de muziek. Ik besluit mijn witte trui aan te trekken. Dit gaat in een enorme roes, net alsof iemand anders dit doet. En ik dit van boven observeer. Ik doe de capuchon op en druk mijn handen stevig tegen mijn oren. Het voelt alsof alle energie rechtstreeks bij mij naar binnen komt. Ik ga met opgetrokken benen op mijn linkerzij liggen. Volgens mij moet ik nu overgeven. Het lijkt alsof er een dikke prop in mijn keel zit die omhoog wil. Ik moet vaker slikken. En mijn ogen tranen enorm. Ik draai op mijn rug en doe mijn handen achter mijn hoofd. Zodat die wat omhoog komt. Ik moet voortdurend gapen en ook diep zuchten. Regelmatig zie ik nu de Albatros verschijnen, mijn totemdier. Op het ritme van de muziek vlieg ik vlak over de golven, ergens op de Zuidelijke Oceaan. Het is een geweldig gevoel! Ik voel letterlijk de oude adem naar buiten gaan en de nieuwe naar binnen. Naar buiten stroomt donkere materie, naar binnen lichte, een grote schoonmaak.
Het is nu helemaal donker. De eerste reizigers komen uit hun reis of nemen een pauze. Geloop door de ruimte. Van mij mag het nu ook wel voorbij zijn, het is zo intens. De beelden blijven voorbij komen: geometrische patronen en bodhisattva’s. Ook komt het felle stralende licht steeds terug. Maar verdwijnt weer door de geluiden om me heen. Het komt in golven en vliegend ga ik er als een trotse Albatros in mee. Laat me meevoeren op de wind. Ik ga rechtop zitten; hoe is dat? Het traanvocht stroom over mijn wangen op mijn shirt, er komt veel slijm omhoog uit mijn longen en mijn hoofd is helemaal nat van zweet. Mijn voeten zijn heel warm maar sla wel een paarse deken om. De spuugbak staat leeg naast me maar ik geloof dat ik niet (meer) moet.
22.00 uur
Dan merk ik dat ik steeds vaker een monnik zie. Er is een fijne rust in me. Ik ben verrast door het beeld maar ook wel wat gespannen: zometeen zit er een demon of zoiets achter het beeld van de monnik. De monnik draagt een donkerrode pij met saffraankleurige bovenkant. Hij is rond de 45 jaar. Ik ken hem! Hij heet Amitahib. De beelden die ik zie lijken op beelden van de Bardo van leven en sterven. Mijn geest drijft over een bruin, verlaten en desolaat landschap. Het is een woestijn waar mijn geest (Rigpa) doorheen moet op weg naar een nieuw bestaan, naar de bardo van het leven. Ik heb sterk het gevoel dat ik die monnik was in een vorig leven: Amitahib. Maar dat is toch raar? Kan dat wel? Ik weet het niet. Maar ik voel sterk dat ik mee moet met dit gevoel; het is zo vertrouwd en voelt zo fijn.
De eerste fruitstukjes komen voorbij maar ik hoef niets.
Het voelt alsof ik steeds meer versmelt met de monnik en ik kom steeds meer in een diepere meditatie. Ik zit in de lotushouding, gehuld in een deken en begin langzaam heen en weer te wiegen. Met halfgesloten ogen gericht op een punt op de vloer. Ik kijk naar binnen.
Koyaanisquatsi
Mijn lichaam wordt steeds warmer en voelt prettig aan. Ik denk dat ik niet meer hoef over te geven. Toch wel een opluchting merk ik. Ik ga nu helemaal voorover liggen, in lotushouding met de handen uitgestrekt op de mat, handpalmen naar beneden. Ik voel de aarde. Ik ben blij met mijn sarong waar ik op zit, met het ohmteken erop. De groene kleur is prachtig. Het geeft een heel veilig en fijn gevoel. Ik ben heel blij met mijn lichaam en sla de armen om me heen. Ik draag nog steeds de capuchon, de geluiden in de ruimte worden wat minder (luid). Ik denk dat een aantal andere mannen al ‘klaar’ zijn. De muziek wordt steeds meer mijn ding en ik begin met de maat met vingers, handen en voeten mee te bewegen.
Ik ben op mijn rechterzij gaan liggen. En kijk naar DJ naast mij op zijn mat. Hij is in een goede mood . Dat is leuk om te zien en maakt me vrolijk. Ik voel een sterke connectie met hem. Wil hem af en toe aanraken. Steeds meer reizigers zijn klaar en mij wordt gevraagd hoe het met me is.
Ik ben nog te druk bezig en nog niet klaar.
Ik ga rechtop zitten met mijn gezicht naar het midden van de circel. Ik maak contact met de voorwerpen die daar liggen. Ik voel veel energie in mijn lichaam, breng die over op de voorwerpen en op mezelf. Ik wrijf de handen tegen elkaar en houdt ze vervolgens voor mijn ogen. Ik dank het universum. Ik ben tevreden met mezelf en kom steeds meer in een ‘zwevende’ mood. Het is heerlijk zo te zitten. Ik begin de mantra Ohm Ah Ohm Vajra Guru Padmè Siddhi Hum te reciteren. Steeds maar weer. Mijn adenhaling gaat diep in mijn buik en dat voelt goed. Ik draai mijn hoofd langzaam in een circel, knak mijn vingers. Ook mijn rug, nek en schouders komen helemaal los. Mijn lichaam voelt steeds soepeler en af en toe ‘klap ik helemaal voorover’, met mijn neus op de mat. Heerlijk. Af en toe kijk ik op en zie dat bijna iedereen verdwenen is. Dit vind ik heel prettig: ik voel me het beste als kluizenaar/monnik/kloosterling.
02.00 uur
Ik begin weer de Ohm mantra te reciteren. Heb een beeld voor me van mij zittend in een soort grot, of net daarbuiten, in de bergen. In Buthan. Ik zit geconcentreerd in de lotushouding en reciteer voortdurend de mantra. Ik voel me net een ‘Mandala’, een wiel. De ruimte is, op DJ na, leeg.

04.00 uur
Ik lig helemaal ontspannen en hoef niets te eten of te drinken. Ik vind de muziek heerlijk en beweeg weer mijn vingers en handen op het ritme. Ik heb vaak de armen boven mijn hoofd. De capuchon blijft op. Dan hoor ik buiten de vogels fluiten. Het wordt licht. Ik ga weer rechtop zitten, in lotushouding met de deken weer om me heen. Helemaal tevreden.
Dan kijk ik naar de overkant van de circel. Ik ben geland, zeg ik tegen de begeleider. Ik ga nog wat wankel op de been naar boven, drink water en eet wat fruit met de andere reizigers. Ik neem mijn slaapzak mee naar beneden, trek al mijn kleren uit en kruip in de slaapzak. Ook groen en lekker warm.
Het was een lange reis. Die langzaam begon en me hele mooie dingen heeft laten zien.

Ons Collectief Onderbewuste
Zeker weten waar alle gedachten en ideeën hun oorsprong hebben doe je natuurlijk nooit. Maar ik merkte dat ik het fijn vond om sommige een ‘plaats te kunnen geven’. Misschien omdat een verklaring voor alles zoeken zo sterk verankerd is in onze (westerse) cultuur. Niets gebeurt zo maar vindt men, alles moet verklaard worden, alles (daardoor) onder controle: toevalligheden bestaan niet. Homeopathie en acupunctuur zijn kwakzalverij want ‘wetenschappelijk’ is niet bewezen dat het ‘werkt’: aspirine wel!
Het is alsof je tijdens een Ayahuasca ceremony contact maakt/in aanraking komt met je/het collectieve onderbewuste (wat anders dan onbewuste: onderbewuste is het gezamenlijke/gemeenschappelijke geheugen van de mensheid, onbewuste is persoonlijk, individueel). Ik denk dat alle mensen, alle Zielen, op deze manier met elkaar verbonden zijn en dat we allemaal samen een Collectief vormen van bewuste en onderbewuste ervaringen opgedaan in andere of vorige manieren van Zijn. De wetenschapper Carl Jung kwam met de term Collectief Onderbewuste. Een soort gemeenschappelijke ‘fundering’ van de mensheid, gemeenschappelijke ervaringen die ons binden en die je als een soort leidraad in de menselijke ontwikkeling kunt zien. Een basis voor psychotherapie volgens Jung. Zelf vind ik, in dit verband, het altijd zo bijzonder hoe ontwikkelingen en ideeën over bv religie, het ontstaan of de schepping van de Aarde bij veel culturen op bijna dezelfde wijze wordt beschreven. Het is fascinerend dat culturen, die nooit onderling contact hebben gehad, piramides bouwden, zowel in Azie, Afrika als Amerika. Dat veel scheppingsverhalen over de oorsprong van de Mens overeenkomsten hebben. Dat daarnaast alle religies contact hebben of proberen te maken met het ‘bovennatuurlijke ‘. Allemaal op zoek naar de Zin van ons bestaan. Bijne elke religie denkt het antwoord te hebben gevonden op deze bestaansvraag. We hebben allemaal dezelfde Oorsprong. Wij worden geboren, komen in deze dimensie, leren en doen nieuwe en andere ervaringen op. En gaan naar God, het eeuwige Paradijs (volgens de islam en het christendom). Of gaan weer mee met het Rad van WederGeboorte. Er is geen Einde, er is geen Begin. Het enige wat we kunnen doen is ons eigen Pad volgen. Niet rennen, niet achterom kijken, niet stilstaan. Maar rustig wandelend je weg vervolgen. Zelf de regie in handen proberen te houden. En: je weet nooit wat je tegen komt. Tijd is irrelevant.

Zweethut ceremonie
Ik leerde mijn eigen Ziel – Amitahib – nog beter kennen tijdens een zweethutceremonie van Gay Spirit North. Het is de mildere vorm van de Ayahuasca ceremonie en veel minder intens. Doch ook een ‘opener’ van de Ziel.
Een zweethutceremonie wordt gehouden in een initi, een halve bijenkorf van wilgentakken afgedekt met een aantal lagen dekens. Vroeger werden hiervoor dierenhuiden gebruikt. Alle zestien wilgentakken hebben een verhaal; ze zijn allemaal verbonden aan één van de mysteries uit de Lakota-Sioux mythologie. Midden in de hut is een stenen put gegraven waarin de roodgloeiende stenen – die een belangrijk onderdeel van de ceremonie vormen – worden gelegd. Deze stenen zijn tweeëneenhalf uur verhit tot ze voldoende warm zijn. Over de stenen wordt tijdens de ceremonie water gegoten waardoor stoom ontstaat. De deelnemers zitten in een circel rondom de stenen. De ceremonie heeft drie rondes van elk ongeveer een uur. Er wordt gezongen in het Sioux, getrommeld of het is stil. Gedurende de ceremonie is de ‘deur’ dicht. Binnen is het eerst roodverlicht door de gloeiende stenen, later is het aardedonker. Tussen de sessies door is er een kleine pauze buiten.
De ceremonie vond plaats midden in een bos in Limburg. We sliepen in een yurt, er was geen electriciteit, geen sanitair, basis eten en drinken. Samen voorbereiden. Er was een ceremoniemeester, verantwoordelijk voor het vuur, de temperatuur van de stenen en de vuurman die de hete stenen naar binnen bracht tijdens de sessies.
De theorie is dat de zweethut zo heet is dat je op die manier een zuivering ondergaat. Ook kun je halucinerende ervaringen hebben (vergelijkbaar met de Ayahuasca ceremonie). De Sioux ondergingen dit ritueel om zichzelf te zuiveren van hun wandaden en om hun vuurgod – Adana genaamd – te eren.

We hebben samen eerst de initi gebouwd. Ieder van ons ging het omringende bos in om hout te zoeken voor het vuur waarin de stenen worden verhit. Het skelet van de zweethut stond al klaar en alleen de dekens moesten er nog over worden gedrapeerd. Toen hij helemaal af was ben ik even naar binnen gegaan om te kijken. Het was compleet donker binnen, wat claustrofobisch. ‘O jee, waar begin ik nu weer aan’, dacht ik bij mezelf.

Toen de takken, de stenen met daarop de tabak bijelkaar waren gebracht werd alles aangestoken om de stenen te verhitten. Wij hadden even vrije tijd voor wat eten, om het kampvuur zitten, gitaar spelen.
De ceremonie begint met in een kring rondom het vuur zitten: Heb je een intentie, wat is je verwachting? Ook: waar wil je zitten: dicht bij de uitgang of juist er ver vandaan? (je kon de zweethut tijdens de sessie verlaten mocht het lichamelijk of geestelijk te intens worden; het was wel zo dat je dat niet meer terug kon, naar buiten gaan was geen pauze). Daarna kleedde ieder van ons zich uit, liep naakt om de zweethut heen, daarbij elke windrichting groetend. De opening was op het oosten gericht: de zonsopkomst, het begin. Vervolgens werd je door de ceremoniemeester met een veer en wierook ‘gesmudged’ en ging je de hut binnen. Ik koos ervoor om halverwege de deur te gaan zitten, vond het toch allemaal erg spannend. Elke sessie duurde ongeveer een uur waarbij tussendoor een pauze is van een kwartier. Dan kun je even naar buiten.
Ik zit met de anderen rechtop in de kring rond de kuil. Het is stil en aardedonker. Buiten kondigt de vuurmeester in het Sioux aan dat de eerste stenen eraan komen. Met een soort kolenschep worden ze in de kuil gelegd. Het wordt nu wat lichter en ik kan de anderen nu in een oranje gloed zien. Het wordt warm.
Na een (dank)groet gooit de ceremoniemeester water op de gloeiend rode stenen waarna een hete stoom op mijn lichaam slaat. Het prikkelt enorm en beneemt me bijna de adem. Het zweet breekt me uit en ik ga rechtop in kleermakerszit zitten met mijn ogen dicht- de stoom slaat op mijn ogen. Het is heet.
De vuurman brengt de volgende hete stenen naar binnen en er gaat weer een plens water overheen.
Ik weet niet of ik dit vol houd, vijftien minuten in de sauna is al bijna niet te harden, laat staan een uur. Ik probeer zo regelmatig mogelijk te ademen en naar binnen te gaan, mediteren. Dit lukt vrij goed en de ‘tijd verdwijnt’.
Weer komen nieuwe hete stenen binnen. En weer extra stoom en hitte.
Het zweet stroomt in stralen van mij af, mijn hoofd wordt licht. Ik besluit te gaan liggen op mijn zij – het is iets minder heet. Naast mij zwoegen de anderen, één van de deelnemers besluit om er mee te stoppen. Het wordt steeds donkerder omdat de stenen kouder worden, de gloed wordt minder. Het sissende geluid wordt zachter en sommige stenen scheuren of vallen uitelkaar. Dan is de eerste sessie voorbij.
Ik ga helemaal natbezweet naar buiten. Ik ga languit in het gras liggen. Mijn lichaam stoomt door de kou, de temperatuur ligt rond het vriespunt. Het is donker. We zijn in een bos en ik zie de heldere hemel met sterren boven mij terwijl ik me helemaal uitspreid. Het voelt alsof ik zo maar in de Aarde kan wegzakken, ik voel me één met het universum.
De volgende twee sessies zijn – niet als de eerste – volledig in stilte. De ceremoniemeester en nog een paar deelnemers hebben (Sioux) trommels waarop gespeeld wordt. Of er wordt ‘gechant’.
Tijdens de tweede sessie geef ik het bijna op, het wordt me te veel. Nog even en dan kun je weer naar buiten denk ik dan. Ik ga nu vaker op mijn rug liggen, zo dicht mogelijk bij de grond. En het laatste stuk zit ik weer rechtop. Door het ritmische getrommel raak ik (weer) in een soort trance, beweeg langzaam heen en weer en heb het wat minder heet.
Eerst weer liggen in het gras. Weldadig en ik ben weer wat afgekoeld.
De laatste ronde.
Tijdens deze sessie zit ik geconcentreerd rechtop en kijk naar de gloed van de stenen. Het wordt weer langzaam donkerder tot alle gloed is verdwenen. Pikkedonker. En dan begin ik te langzaam tot mijn verbazing de bovenkant van de hut te zien. Later zie ik de anderen in de kring, sommigen zitten rechtop, anderen liggen op hun zij of rug. Sommigen liggen lepeltje aan lepeltje met een ander. Het is donker en toch kan ik zien… Ik kan de andere mannen zien zitten of liggen. ???? Een helder moment.
En de laatste ronde van een uur is voorbij.
Nadat ik nog een tijdje naakt in het gras heb gelegen, sta ik op, wikkel dekens om me heen en ga, samen met de anderen, in een kring om het vuur zitten. Het is koud buiten, de sterren zijn te zien en iedereen is verzonken in zijn eigen gedachten. Het is stil, je hoort alleen het knetteren van het vuur. Daarna slapen we ook in een circel rondom een vuur in de yurt. Het is koud, ik heb extra sokken aangetrokken, de capuchon opgezet en was al snel helemaal vertrokken.
Net als na de ayahuasca ceremonie blijven de beelden, emoties nog een tijdje nasudderen in het ‘gewone ‘ leven, vooral in dromen. Het lijkt en voelt alsof bij beide ceremonies deurtjes in je brein worden geopend waardoor je Ik, je bewustzijn zicht- en voelbaar wordt. Alsof je jezelf, net als een pc, eerst ‘defragmenteert’, gevolgd door ‘schijfopruiming’. Waardoor je ‘Ik’ weer is ‘gerecet’. Je kunt jezelf vaak wat beter begrijpen en er ontstaat meer ruimte voor mededogen, voor jezelf maar ook voor je medemens.
Het Plaatje wordt comple(e)t(er)
Het voelt soms alsof ik uit twee personen besta: Aziatisch en Europees. Als ik in Azië ben voel ik mij daar zo op mijn plek, helemaal compleet. Bali is mijn thuis. Amitahib is daar dominant, aan de buitenkant maar vooral aan de binnenkant. Ik houd van het circulaire denken, verankerd in de religies en culturen: het Rad gaat steeds maar rond (niet verder). Maar ik ben ook een Europeaan. Ik voel me thuis in Amsterdam, geniet van de seizoenen, kan me qua werk goed ontplooien en prefireer de relatieve rustmm hier vergeleken met de drukte in Azie. Maar ik heb moeite met het ‘Lineaire denken’. Er is een begin en een eind, net als een lijn. En (te) vaak een pastoor, dominee, imam of rabbijn die precies weet hoe je op die lijn moet lopen, er niet teveel van mag (=moet) afwijken. Het individu staat centraal. Er is te weinig Egocentrisme: goed voor je zelf zorgen betekent ook voor de ander zorgen. Er is te veel Egoisme: ik, ik, ik..
Ik denk dat ik een goed beeld van mezelf heb gekregen en voel me geworteld. Amitahib en Hendrikus wandelen samen op het Pad.

En dat is prettig.
Zo, en nu meteen door naar de hierbij horende en aansluitende ‘Overpeinzing’, het volgende blog: een mooie documentaire gemaakt door Leonard Cohen.