Over rivieren, kikkers, poelen, seizoenen en oneindigheid.

De najaarsstromen waren gekomen. Duizenden woeste stromen stortten zich brullend in de Gele Rivier. Deze zwol op en trad zo ver buiten haar oevers dat je, eroverheen kijkend, een os aan de overkant niet van een paard kon onderscheiden. Toen lachte de riviergod, ingenomen met de gedachte dat alle schoonheid ter wereld nu onder zijn beheer viel. En stroomafwaarts ging hij, totdat hij bij de oceaan kwam. Daar keek hij uit over de golven, tot aan de lege horizon in het oosten en zijn gezicht betrok. Starend naar de verre horizon kwam hij bij zijn zinnen en sprak tot de god van de zee: “Welnu, het spreekwoord is juist: wie zich honderd ideeën in het hoofd haalt denkt dat hij meer weet dan de ander. Zo iemand ben ik. Nu begrijp ik wat oneindigheid betekent “. De zeegod antwoordde: “Kun je tegen een kikker die in een poel woont praten over de oceaan? Kun je tegen een libelle praten over ijs. (Geïnspireerd op een oud chinees taoistisch verhaal, uit ‘When the shoe fits’. Rashneesh Foundation 1976).
Het leven is een ervaring en geen theorie. Het heeft geen rationele uitleg nodig. Het is er (in al zijn glorie) om geleefd te worden. Het leven is geen raadsel maar een mysterie. Een raadsel is iets dat je kunt oplossen met je verstand, met je denken; een mysterie is iets dat nooit kan worden opgelost.
Stephen Batchelor zegt het als volgt:
“Een rekende levenshouding kan ons van dienst zijn als we moeten afrekenen met de praktische problemen van ons dagelijkse bestaan; maar kan ons alleen maar op een dwaalspoor brengen als we haar manier van werken toepassen op het mysterie van het leven. Het rekenende denken kan ons helpen onze problemen op te lossen maar is niet in staat door te dringen tot onze mysteries (….) In tegenstelling tot een probleem kan een mysterie niet opgelost worden. Een mysterie kan alleen maar ‘doorzien’ worden. Een probleem dat opgelost wordt houdt op een probleem te zijn. Maar het doorzien van een mysterie maakt het niet minder mysterieus. Hoe meer iemand in een mysterie doordringt, des te duidelijker wordt de waas van geheimzinnigheid. Die intensivering van een mysterie leidt niet tot een gevoel van frustratie (zoals bij de onoplosbaarheid van een probleem) maar tot ‘ver-lossing’. Uit: Het geloof van de twijfel, Stephen Bachelor Asoka 1997.
En toch vormt de filosofie, vormen wij, allerlei theorieën over het leven en het enige wat wij bereiken is dat we in de loop van onze redenering vast komen te zitten. En dan putten we maar troost uit het feit dat we tenminste geprobeerd hebben het leven verstandelijk te verklaren. Zo hebben we het gevoel dat we het vraagstuk van het leven gedeeltelijk begrijpen, dat we iets weten.
Maar we weten niets.
Het denken kán niets weten, het denken kan alleen maar theoriseren, filosoferen. Het denken kan veel; het kan steeds sneller woorden aaneenrijgen; het kan met woorden spelen, ze rangschikken. Maar dit zijn allemaal interpretaties, niet de werkelijkheid. Het heeft iets van een landkaart. Je kunt de kaart van Nederland bij je hebben en je kunt dan denken dat je Nederland op zak hebt. Je kunt een foto van een roos nemen, maar deze foto heeft niets van het levende fenomeen dat een roos is.
Het denken is altijd geconditioneerd. Je denken wordt altijd getraind door de samenleving waarin je leeft, gevormd door de ervaringen die je doormaakt. Een kikker heeft een kikkerverstand want hij leeft in een poel die zijn hele universum is. Evenzo is ons denken begrensd; ook wij leven in een soort van poel, een maatschappelijke poel.
Het is gemakkelijker voor de kikker om uit zijn poel te springen dan voor ons om ons geconditioneerd denken, met zijn onzichtbare grenzen, te verlaten. We leven in een poel die we steeds met ons meedragen; het is het klimaat dat ons altijd omringt, het is onze onzichtbare door ervaringen gevormde en begrensde persoonlijkheid. Alles wat we tegenkomen bekijken we vanuit onze poel. Hoe kan je de oceaan begrijpen als je je blijft vastklampen aan je poel? En als je dat niet doet, zul je zelfs in het zicht van de oceaan nog niet geloven dat hij bestaat, zul je de uitgestrektheid ervan niet kunnen bevatten.
‘De najaarsstromen waren gekomen. Duizenden woeste stromen stortten zich brullend in de Gele Rivier…..’
De Gele Rivier is een van de grootste rivieren ter wereld. En als die rivier in het najaar opzwelt – doordat duizenden riviertjes zich er in storten – en ze buiten haar oevers treedt, dan wordt ze een kleine zee op zich. En de riviergod dacht voldaan:” Nu kan niemand zich nog met mij meten. Nu ben ik enorm, breder dan wie ook, niemand anders is zo breed”. Dit gebeurt met alle ego’s. Ieder ego is de Gele Rivier.
Als kind ben je een klein stroompje, nog dicht bij de bron. En dan monden er geleidelijk andere rivieren in: je krijgt allerlei ervaringen, kennis, diploma’s, geld, welstand, aanzien en respect. En je vergaart steeds meer. De rivier wordt steeds breder, steeds groter. Dit is de overstroming die plaats vindt als je jong bent. Dan denk je dat niemand zich met je kan meten, dat je aan de top staat. Dan ben je vol van je ego. Je hebt het helemaal gemaakt en ze ‘mogen blij met je zijn’ als vriend, partner of collega.. Het ego op zijn best.
Maar de overstromingen duren niet eeuwig. Je wordt oud, er storten geen woeste nieuwe stromen in je uit. Rivieren drogen op, oevers komen te voorschijn. De enorme rivier is niet meer dan een smalle stroom.
Je kunt gelukkige jonge mensen vinden, maar dat zegt niet altijd zo veel. Als je een gelukkige tevreden oudere vindt heeft dat vaak meer te betekenen. Als de stroom nog maar een beekje is en een oudere is (toch) gelukkig, dan heeft deze iets anders leren kennen; hij of zij heeft de eeuwige bron (in zichzelf) gevonden.
Als je oud bent en je alles ontnomen is, als niemand nog weet wie je bent, als niemand zich om je bekommert, je gewoon verwaarloost. Als je buiten spel staat, afgedankt als een zak vuil en je bent gelukkig…… dat wil dan iets zeggen. Dansen op het hoogtepunt van je leven is niets bijzonders. Maar als de dood voor de deur staat en je hem dansend en onbevreesd tegemoet gaat, dan is er iets bijzonders gebeurd. Als je klaar bent om te sterven kun je pas echt leven.

Werelds geluk – de duizenden stromen die zich in je uitstorten – is afhankelijk van anderen. Gelukzaligheid hangt alleen van jou af, ze is van niets afhankelijk. Ze stelt geen voorwaarden die vervult moeten worden, ze is onvoorwaardelijk. Ze komt alleen maar door jou, ze wordt door niets veroorzaakt. Als je gelukkig bent met je vriendin of vriend, je geliefde, dan is iemand de oorzaak van je geluk. Maar vroeg of laat wordt dit je weer ontnomen; het is een najaarsstroming en die blijft niet duren. De seizoenen veranderen, het levenswiel blijft in beweging. Wat veroorzaakt is, ontstaan is, kan niet eeuwig blijven bestaan, verdwijnt.
‘De riviergod ging stroomafwaarts, totdat hij bij de oceaan kwam’.
Voor de riviergod en voor de meesten onder ons is de oceaan onmetelijk. De oceaan is oeverloos en bezorgt ons, bij het zien van deze uitgestrektheid, koude rillingen. De onmetelijkheid jaagt ons schrik aan want het is een begrip wat wij niet kennen. Ons aardse leven kent geen onmetelijkheid; het leven heeft oevers die soms overstroomd raken en dan lijkt het breed. Soms zijn ze dat niet en dan wordt het een smal beekje.
‘Aan de oceaan gekomen keek de god van de rivier uit over de golven, tot aan de lege horizon en zijn gezicht betrok’
Bejaarden worden dikwijls treurig. Het animo, het enthousiasme, de droom, alles sterft af; er blijft niets van over. Ze kijken om en denken terug aan het verleden, aan de overstromingen, toen ze nog iets of iemand waren, aan de tijd dat ze geliefd, gerespecteerd en gewaardeerd werden. Steeds vertellen ze verhalen over vroeger. Ze komen altijd aandraven met die goede oude tijden. Waarom goed? Waarom is de tijd nu niet goed? Het gaat er niet om dat de dingen vroeger beter waren; niets daarvan. Vroeger waren ze jong en alles was goed. Ze stroomden over. Maar je kunt niet terug. Je drijft altijd verder en verder.
Starend naar de verre horizon kwam de god van de rivier bij zijn zinnen en sprak: “Welnu, het spreekwoord is juist: Wie zich honderd ideeën in zijn hoofd haalt denkt dat hij meer weet dan de ander. Zo iemand ben ik. Nu begrijp ik pas wat oneindigheid betekent “.
Pas wanneer je een wijze tegenkomt, een verlicht persoon, een ontwaakte, zul je beseffen wat wijsheid is, wat volledigheid is. Als je bij een verlichte komt voel je pas wat het überhaupt betekent hier te zijn. Nu leef je in een droom, in de schaduw; je bent nog nooit in de zon geweest, je bent nog nooit onder de uitgestrekte, blote hemel geweest. Je hebt in donkere grotten gewoond, in de grotten van je ego.
De god van de zee antwoordde: “Kun je tegen een kikker in een poel praten over de oceaan?”
Dat lijkt onmogelijk want het is een andere taal. De kikker in de poel spreekt de taal van zijn poel.
Er was eens een kikker uit de oceaan die langs een poel kwam en erin sprong. Hij maakte kennis met met de kikker die in de poel wwonde. Die vroeg hem: “Waar kom jij vandaan?” Hij zei: “Ik kom uit de grote oceaan”. “Is die oceaan groter dan deze poel?” Natuurlijk lag er een achterdocht in zijn blik, zijn denken twijfelde: “Hoe kan er iets groter zijn dan deze poel waar ik woon?” De oceaankikker lachte en zei: “Het is erg moeilijk om er iets over te zeggen, want er is geen maatstaf, geen vergelijk”. De poelkikker zei: “Dan geef ik je een maatstaf. Hij sprong over een kwart lengte van de poel en zei: “Is hij zo groot?” De oceaankikker lachte en zei: “Nee”. Toen sprong hij de hele lengte van de poel over en zei: “Nu kun je geen nee meer zeggen”. De oceaankikker zei: “Je voelt je misschien gekwetst en ik wil je niet beledigen maar het antwoord is nog steeds nee”. Toen riep de poelkikker verontwaardigd: “Maak dat je wegkomt, leugenaar! Er bestaat niets wat groter is dan deze poel”.
Als je aan iets twijfelt wat je niet kunt bevatten, is het altijd de poelkikker in je. Niets kan groter zijn dan jij, niets verhevener, niets spiritueler. Daarom wordt de Boeddha vaak niet serieus genomen: hij komt uit de oceaan. Hij brengt een boodschap van het onmetelijke en je hebt je eigen beperkte maatstaven waartegen je zijn woorden afweegt. We kunnen het de poelkikker niet kwalijk nemen. Je kunt alleen mededogen voelen. Je kunt het hem niet kwalijk nemen want hij kent alleen de poel. Hij is nooit in de oceaan geweest dus hoe kan hij zich er een voorstelling van maken. Hoe leg je aan een blinde uit wat ‘geel’ is?
Daarom kan een Boeddha niet praten over wat hij weet; het is onmogelijk daarover te communiceren. Het is onzegbaar omdat de talen verschillen. Als het in dezelfde taalvorm wordt gegoten, moet de oceaan in de poel worden geplaatst, maar de oceaan past niet in de poel. De waarheid is niet het probleem maar wordt het wel als je het in de taal van de poel wil vertellen. De waarheid wordt alleen gezegd als twee Boeddha’s erover praten. En zij hoeven er niet over te praten, want als twee Boeddha’s samen zijn, hoeven ze niets te zeggen; ze stralen het uit, zij weten het. Praten is niet nodig en als praten wel nodig blijkt te zijn, ontstaat er verwarring. Want:
Kun je tegen een libelle praten over koude en ijs?

(Uit Boeddhistisch Dagblad, juni 2019. André Baets. Bewerking: Amitahib).